Gonarthrose: niet alle infiltraties zijn gelijk

Knieartrose blijft wereldwijd een van de belangrijkste oorzaken van invaliditeit. Bij deze chronische degeneratieve aandoening met een onvoorspelbaar verloop is het doel van de behandeling om het moment van een gewrichtsvervangende operatie zo lang mogelijk uit te stellen. Intra-articulaire infiltraties worden vaak gebruikt om de pijn te verzachten en onder controle te houden, maar wat is het effect ervan op de gewrichtsstructuren op lange termijn? Bevorderen ze de geleidelijke achteruitgang ervan? Hebben hyaluronzuur en corticosteroïden dezelfde effecten? Op al deze vragen wordt een antwoord gegeven in een studie die onlangs is gepubliceerd in het tijdschrift Radiology 

Een secundaire analyse van de gegevens van een longitudinale cohortstudie 

Deze studie is gebaseerd op een uitgebreide database die is opgezet in het kader van de OAI (Osteoarthritis Initiative), een prospectieve, multicentrische longitudinale studie waarin tussen 2004 en 2015 bijna 5000 proefpersonen op regelmatige tijdstippen werden gevolgd. 

Binnen deze cohort werden 210 deelnemers met gonartrose geselecteerd (gemiddelde leeftijd 64,0 ± 7,9 jaar; 126 vrouwen). Achteraf werden drie groepen gevormd, waarvan één bestaande uit 140 controlepatiënten. In de twee andere groepen werd één intra-articulaire infiltratie met hyaluronzuur (n = 26) of corticosteroïden (n = 44) uitgevoerd. De casus- en controlegroepen werden gematcht volgens de propensity score-methode, waarbij rekening werd gehouden met leeftijd, geslacht, body mass index, radiografische graad van de laesies volgens de morfologische criteria van Kellgren-Lawrence (KL), intensiteit van de pijn en functionele beperkingen, beoordeeld aan de hand van de WOMAC*-vragenlijst, en fysieke activiteit. 

Er werd driemaal een MRI (3 Tesla) uitgevoerd: op het moment van de infiltratie, maar ook twee jaar ervoor en twee jaar erna. De evolutie van de laesies in de aangetaste knie werd beoordeeld aan de hand van de semi-kwantitatieve WORMS-score (Whole-Organ MRI Score), die rekening houdt met laesies van het kraakbeen, het subchondrale bot, de menisci en de ligamenten, maar ook met intra-articulaire of synoviale effusies. De interpretatie van de beelden werd toevertrouwd aan drie ervaren radiologen die gebruik maakten van een gevalideerd beoordelingsschema. Bij onenigheid werd het advies van een vierde senior radioloog ingewonnen om tot een consensus te komen. Opgemerkt moet worden dat deze gecentraliseerde en gestandaardiseerde beeldinterpretatie blind werd uitgevoerd, zonder informatie over de groep waartoe de patiënt behoorde, wat de resultaten een zekere robuustheid verleent. 

Voordeel voor hyaluronzuur, met een kanttekening 

In vergelijking met de controlegroep werd bij corticosteroïdinfiltratie een significante toename van structurele laesies waargenomen, wat blijkt uit een stijging van de WORMS-score. Het verschil tussen de groepen was bescheiden, maar statistisch significant (+0,39; p = 0,02). Hetzelfde gold voor de vergelijking tussen corticosteroïd-infiltraties en hyaluronzuur-infiltraties (+0,42; p = 0,04). In vergelijking met de controlegroep gingen deze laatste echter gepaard met een significante daling van de WORMS-score (−0,42; p = 0,003). Vergelijkbare resultaten werden vastgesteld voor de WORMS-subscores die alleen rekening hielden met kraakbeendegeneratie. In beide groepen werd een significante vermindering van de pijn vastgesteld, maar alleen op korte termijn. 

Hoewel corticosteroïden op korte termijn pijnverlichtend werken, kunnen ze binnen twee jaar de kraakbeendegeneratie en de progressie van artrose in de knie versnellen. Hyaluronzuurinjecties lijken daarentegen neutraler, zelfs beschermend, terwijl ze een vergelijkbare symptomatische werking hebben. Is viscosupplementatie te verkiezen boven corticosteroïd-infiltraties? Het intuïtieve antwoord is ja, en deze studie pleit in het voordeel van viscosupplementatie. Er moet echter worden gewezen op de beperkingen van deze retrospectieve case-controlstudie, die in geen geval een causaal verband kan leggen tussen de effecten die op beeldvorming zijn waargenomen en de aard van de infiltraties. De kleine omvang van de hyaluronzuurgroep beperkt bovendien de statistische kracht van de studie en er kunnen tal van vertekeningen optreden bij de keuze van de infiltratie en de aard ervan bij een bepaalde patiënt. Er werd slechts één infiltratie in aanmerking genomen en het feit dat de voorkeur werd gegeven aan een corticosteroïde boven hyaluronzuur is niet onbelangrijk, aangezien dit kan wijzen op een mogelijk ernstigere gonartrose. Dit betekent dat er andere, bij voorkeur gerandomiseerde studies nodig zijn om deze resultaten te valideren. 

Bron: Dr Philippe Tellier • MediQuality/JIM 

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *